Vergeten landbouwalaam

C.  VAN VLASPLANT TOT LIJNWAAD

Dat het vlas het leven en de trots was van ons volk, dat onze voorvaderen het beste vlas en tevens de fijnste linnenweefsels geproduceerd hebben, dat wij belangrijke vlasstreken gekend hebben en nu nog kennen, zal wellicht iedereen weten.  Dat vroeger ook de boeren vlas teelden voor eigen gebruik en wat ze allemaal moesten doen om uit vele vlasplanten één beddelaken te weven, zullen er heel wat minder weten.

Keert U met mij enkele minuten in de geschiedenis terug, dan kunnen we samen kijken hoe een landbouwer zijn vlas teelde.

Reeds vroeg in de lente wordt het lapje grond, dat na enkele maanden eep rijke oogst zal schenken, voorbereid.  De ruwe aardschors wordt zorgvuldig bemest, dit is van groot belang voor de kwaliteit van het vlas.  Het is met duivenmest dat men de beste planten bekomt.  Dit eist heel wat werk.  Ons land bezat te weinig duiven om een voldoende hoeveelheid mest te verschaffen.  Hierdoor komt het dat onze boeren met paard en wagen soms tot diep in Frankrijk trokken om er dit kostbaar goed te halen.  Het is vanzelf sprekend dat kleine boeren dit niet konden doen en zich tevreden moesten stellen met gewone vloeimest.

Vervolgens werd het land omgeploegd, effen gerold en gezaaid.

De natuur moest nu maar verder voor de jonge planten zorgen.  In het midden van de zomer komt de boer met zijn gezin op het veld terug.  Stuk per stuk trekt men de planten uit de grond.  Men brengt deze dan in kleine hopen samen en laat ze over aan de warme augustus-zon.  Vervolgens wordt het vlas op wagens geladen en naar het hof gevoerd.  Hier staan enkele mannen klaar om het vlas te repelen.  Hiervoor gebruikt men de reep.  (afb.: 21,a).

Dit toestel ligt vast op een balk.  De boer slaat een hoopje vlas over de dikke tanden en trekt dan alles naar zich toe.  De zaadjes die zich aan het uiteinde bevinden worden door de dikke tanden tegengehouden en rollen over de vloer.  Men raapt ze samen om er nadien lijnolie uit te persen.

Na deze eerste bewerking volgt een tweede, die tot doel heeft het stengelomhulsel los te maken van de fijne vezels die de draden zullen vormen.  Daarom brengt men het vlas in water.  Aldus wordt het omhulsel stilaan week en de vezels komen los.  Deze bewerking noemt men «roten».  Hoe geschiedt ze ?


Afb. 21
 

In het eerste geval graaft men een diepe put die men met water vult.  Een man springt erin en plaatst de vlasbundels dicht tegen elkaar in het water.  Als de put vol is legt men op de bundels planken beladen met stenen om te beletten dat het vlas naar boven zou komen drijven.  Wel moet men ervoor zorgen, dat het vlas niet tot de bodem zinkt, opdat de vezels niet doormodder zouden bevuild worden.  Na een tiental dagen worden de planken weggenomen en iemand zal nu in de vuile, stinkende put moeten dalen, om de bundels eruit te halen.  Dit werk is het vuilste boerenwerk dat er bestaat.  Het vlas dat uit de put komt, heeft een blauwe kleur.

De tweede methode bestaat hierin, dat het vlas in een stromend beekje of rivier gebracht wordt.  Ze biedt de voordelen dat het vuil en de stank niet zo hevig zijn en het werk ook gemakkelijker en aangenamer wordt.  Ze heeft echter ook nadelen.  Het gebruikte rivierwater heeft een sterke onaangename geur, wat erg is voor de gemeenten waarlangs de rivier vloeit.  Zo kwam het dat Gent, toen de afleidingsvaart nog niet bestond, ieder jaar gedurende een hele tijd de gevolgen van het roten onderging.  Dat ware minder erg geweest, indien men ditzelfde water niet voor alledaags gebruik nodig had gehad.  De stad zond dan strafbataljons uit naar de Leiestreek om het roten van vlas in de rivier te verbieden.

Na het roten wordt het vlas opnieuw op het veld gedroogd en vóór de winter veilig binnengehaald.

Nu is de stengel reeds los van de vezel, een derde bewerking zal hierin bestaan dat men de stengel breekt om nadien de brokken ervan te verwijderen.  Hiervoor kent men twee werkwijzen.  Ofwel spreidt men het vlas op de vloer open en breekt men de stengels met de bookhamer (afb.: 21,c).  Doordat men met dit werktuig op de grond slaat, vliegt de stengel stuk.  Ofwel brengt men de bundels vlas tussen een vlasbraak (afb.: 21,b), de onderkant van dit toestel bestaat uit een zeker aantal gleuven, het boven deel uit lange tanden die in deze gleuven passen.  Doordat men het boven deel naar beneden brengt worden de stengels die op de onderkant rusten, gebroken.

Na de braak volgt de eerste zwingeling.  De zwingelaar neemt een hoopje vlas in de linkerhand en brengt deze in een gleufje van een rechtstaande plank, zwingelberd (afb.: 22,a).  Met een soort houten mes, zwingel (afb.: 22,b, c) in de rechterhand klopt hij op de vezels, zodat de overblijvende stengelbrokken verwijderd worden.  Om de vlasvezels nog zuiverder te hebben, trekt men alles over een vlashekel (afb.: 22d).  Alzo wordt het vlas gekamd en verdwijnen de kleinste onzuiverheden.  Men knoopt dan het bundeltje dat naar de keuken wordt gebracht.


Afb. 22
 

Sedert 1850 gebruikt men ook de zwingelmolen om te zwingelen.  Hij bestaat uit een rechtopstaand wiel van vlasmessen voorzien.  Door het trappelen krijgt het wiel een grote snelheid en de vlasmessen kloppen de ertegen gehouden stengels stuk.  Het zwingelen gebeurde sneller, maar de kwaliteit van de vezels verminderde.

Met deze korte draden kan men natuurlijk nog niet weven.  De draden moeten eerst aan elkaar vastgehecht worden, hetgeen men spinnen noemt.  Vóór het spinnewiel bestond, werd dit werk gedaan met spinrokken en konkel (afb.: 23,c).  Hoe men hierbij te werk gaat, is moeilijk in deze beperkte bijdrage uit te leggen.  Wie hierover meer wenst te weten, raadplege het boekje van J.  Weins, Bokrijk Tuin van de Vlaamse Volkskultuur.  In het begin van de 17de eeuw verschijnt het spinnewiel.  Spijtig genoeg heb ik nog niemand gevonden die hiermede werken kan, daarom zal ik de weinige zaken die ik over spinnen weet, best achterwege laten.  Wel kan ik zeggen, dat van dit werktuig een drietal typen bestaan: het liggend spinnewiel dat het meest voorkomt, het staande spinnewiel (afb.: 23,b) en tenslotte het oorlogsspinnewiel.  Wegens het gebrek aan de eerste twee modellen, bouwde men gedurende de oorlog 14-18 met een fietswiel dit laatste spinnewiel.  Het was voldoende voor de noden van de tijd.


Afb. 23
 

Bij een spinnewiel behoort noodzakelijk een tweede werktuig.  Tijdens het spinnen moet men met de duim de draad nat maken.  Het is vanzelf sprekend dat deze nadien gedroogd moet worden.  Dit gebeurt op een haspelmolen.  (afb.: 23,a).  De draden worden over de wieken gewonden en te drogen gesteld vóór de haard.

We bezitten nu draad genoeg om te weven.  Meestal bezit de boer zelf geen getouw (afb.: 24) en daarom brengt hij zijn vlas naar een loonwever.  Het weven zelf is niet zo moeilijk.  Een deel van de draad wordt in een schietspoel (afb.: 24) opgewonden, door een vernuftig systeem kwam bij het schieten de draad los.  Andere draden worden dan in reeksen van twee aan het weefgetouw vertikaal vastgemaakt.  Deze draden noemen we inslag.  Nummeren wij de draden en nemen wij alle pare nummers en onpare samen.  De pare worden door een aangepast mechanisme wat naar voren gebracht, de onpare wat naar achteren toe.  De wever schiet de schietspoel tussen deze twee reeksen, zodanig dat een horizontale draad tussen de draden van de inslag komt te liggen.  Deze horizontale draad, de schering, wordt met een kam naar beneden toe gedrukt.  Door een mechanische beweging gaan nu de pare draden naar achteren toe en de onpare naar voren.  Men schiet dan de schietspoel terug tussen de twee draadgroepen.

Het lijnwaad werd nadien door de boer afgehaald.  Hij moest alleen nog de grote lappen stof nat maken en op de weide te bleken leggen.  Dit deed hij met een dankbare glimlach, want hier lag de vrucht van een zwaar en langdurig werk.


Afb. 24

Lees verder:  Het privaat landbouwmuseum te Wachtebeke

De Inhoudstafel



Ons voorwoord

MijnPlatteland homepage

Meest recente bijwerking: 16 March 2020