Vergeten landbouwalaam

III.  HET PRIVAAT LANDBOUWMUSEUM TE WACHTEBEKE

Toen wij ons in 1961 te Wachtebeke vestigden, kwamen WIJ in contact met de heer Poppe Remi, die vroeger wagenmaker was in het dorp.  Dikwijls brachten wij warme zomeravonden samen door.  Wij spraken over het leven en de folklore van het dorp.  Ook vertelde hij ons meermalen hoe hij vroeger, samen met zijn vader wagens en landbouwvoorwerpen bouwde.  Spijtig genoeg behoort al dit ambachtswerk tot het verleden en de meeste stukken zijn reeds lang verdwenen.  Onze belangstelling voor dit verdwenen landbouwalaam steeg.

Toen wij in de zomer van 1962 voor de zoveelste maal een afgedankt werktuig zagen vernietigen besloten wij deze relieken van de dood te redden en ze in ons leegstaande stallen onder te brengen.  De start was zeer moeilijk, niemand in het dorp kende ons, men dacht dat wij een soort antiquair waren.  Men vroeg ons onmogelijke sommen voor zelfs gans verrotte werktuigen.

Doch de volgende jaren begreep men stilaan dat wij geen antiek zochten, maar landbouwvoorwerpen die waardeloos geworden waren en goed waren voor brandhout of oud ijzer.  Zo groeide in een steeds sneller tempo de verzameling die zo wat het museum van de wijk werd.  Weldra werden wij zelfs bekend in talrijke andere gemeenten.  In enkele dorpen waren er zelfs mensen die de voorwerpen uit hun streek voor ons samenbrachten.

Dank zij deze medewerking slaagden wij erin gedurende de jaren 1965 en 1966, 172 stukken aan te schaffen, hetgeen onze verzameling op 229 voorwerpen bracht (hiervan werden er ons 178 geschonken).  Hiernaast kregen we nog talrijke folkloristische dokumenten (oude zichtkaarten van Wachtebeke, oorlogsgeld, oude foto's, volksgeneeskundige recepten, verhalen, legenden, enz...  ).

Thans is het in onze streek de gewoonte geworden dat wanneer men een stal opkuist men al het afgedankte niet onmiddellijk in brand steekt, maar ons hetzij per briefkaart, hetzij telefonisch verwittigt, zodat wij het interessante eruit kunnen halen.

Daar mijn belangstelling groter en groter werd dacht ik eraan de voorwerpen niet alleen te verzamelen maar ze ook te bestuderen.  Oudere mensen leerden mij met deze voorwerpen werken en ook kon ik, dank zij hun medewerking, talrijke voorwerpen beschrijven die we nog niet bezitten.

Hoe gaat men te werk wanneer een nieuw stuk binnenkomt?

Eerst wordt aan het voorwerp een identiteitsfiche en een nummer gegeven.  Op de identiteitsfiche wordt hoofdzakelijk vermeld: nummer, streek van herkomst, bouwjaar, beschrijving van het voorwerp, zijn bouwer en zijn vroegere eigenaar, tenslotte een kleine schets ervan.

Het identiteitsnummer laat ons toe de voorwerpen in afdelingen en klassen in te delen.  Een vlegel bijvoorbeeld: H/Sch/27b: afdeling hofwerktuigen, schuurwerktuig nr 27, 2de eksemplaar.  Wij aanvaarden met grote vreugde werktuigen waarvan we reeds een eksemplaar bezitten.  Dikwijls worden door mensen voorwerpen weggesmeten omdat ze denken: «dit hebben ze zeker al, ze kunnen hier niets meer mee doen».  Dit is verkeerd; wij hebben nog nooit twee identische werktuigen gekregen, deze verschillen soms van wijk tot wijk in een dorp.  Ook hebben we door deze redenering nog talrijke nochthans veel voorkomende voorwerpen niet.  We hebben bijvoorbeeld nog steeds geen pikhaak met doorboorde steel.

Na al dit administratief werk volgt het onderhoudswerk.  Het voorwerp wordt eerst grondig gekuist, nadien indien het nodig is, gerestaureerd.  Vervolgens wordt het ingewreven met een produkt dat het stuk moet beschermen tegen houtwormen en verrotting, tenslotte wordt het vernist of geverfd.  Nu komt het voorwerp op zijn definitieve plaats.  Hier wordt er nog een kaartje aan vastgehecht waarop vermeld staan: naam, bouwjaar, streek van herkomst en, zo het stuk geschonken werd, de naam van de schenker.

Gedurende de zomer van 1967 zullen wij onze studie over de vlaswerktuigen afwerken en beginnen aan een studie over houten ploegen en over veldrijtuigen.  Zou ik mogen vragen dat zij die over deze zaken nog iets afweten zo vriendelijk zouden willen zijn ons hiervan op de hoogte te stellen?

Tot slot wil ik dan nogmaals de talrijke medewerkers en toekomstige medewerkers danken die het mij mogelijk maken dit vergeten landbouwaspekt te bestuderen.  Ook dank ik op bijzondere wijze diegenen die het mij mogelijk maakten dit artikel te publiceren.

  De Rijksfaculteit der Landbouwwetenschappen te Gent.
De Redaktie van tijdschrift «Groei».
Prof.  J.  Moerman.
De Heer G.  Vandenhoutte.
Conservator G.  Genie.
 
 

P.  de Meyer.
 

 
P.L.M.W.
Nieuwland 34, Gent.

De Inhoudstafel



Ons voorwoord

MijnPlatteland homepage

Meest recente bijwerking: 16 March 2020