De Familie Van Hulse afkomstig van Kluizen

Hier volgt een artikel door Michaël Van Hulse verschenen in «Eikels worden Bomen»,
het orgaan van de Oudleerlingenbond van het St. Vincentiuscollege, Eeklo,
Tweede Jaargang, 1949-50, nr. 3.

De Kerre

      Hoe de vergadering van de Vlaamse Studentenbond «intra muros» van ons Eeklose College ooit aan de naam «de Kerre» geraakte, is mij tot de huidige dag, waarop ik met grote mysteries af te rekenen heb, een klein mysterie gebleven, en zal dat vermoedelijk wel blijven tot het einde mijner aardse dagen.  Maar zou het ver bezijden de waarheid zijn, als wij vermoedden dat het aanvankelijk wel een spotnaam kan geweest zijn waarvan de spottende nattigheid geleidelijk is verdampt om alleen nog een naam over te laten, zo eerbiedwaardig als gelijk welke andere, zoals dat met belangrijker instellingen in de loop der tijden het geval is geweest ?  Want in den beginne zal dat grote mensengedoe van studentjes wel niet zo onverdeeld sympathiek zijn aangekeken geworden: waarschijnlijk met waakzaam oog geduld van hogerhand, en van onder af hier en daar met de vleiende namen van aanstellerij en excentriciteit bedacht.  Maar toen wij het geluk hadden, dat we toen allerminst als een geluk aanvoelden, de zanderige koer van een dorpsschooltje tegen de toen nog even zanderige koer van het Eeklose bisschoppelijk instituut te verruilen, bleek de zaak in elk geval gestabiliseerd en goed op gang.

      De Kerre was een van de eerste serieuze dingen waarmede wij «intra muros» in contact kwamen — de enkele lessen in de «kleine figuur» die reeds waren voorafgegaan en de eerste — vervelende — studieuren niet te na gesproken !  't Begon op een namiddag — een Dinsdag ? een Donderdag ? — onder de speeltijd, toen op een ongewoon uur iemand die nu ergens een eerbiedwaardig ambt moet bekleden, de grote klok luidde.  Dat was absoluut verrassend, en verrassend was bovendien dat lang niet iedereen zich daaraan stoorde, dat slechts hier en daar een groepje zich uit het recreatiekluwen losmaakte en ter studiezaal toog.  Mijn geheugen reikt niet ver genoeg in de details van die eerste tijden om ze te vertellen wanneer ik de eerste Kerre heb meegemaakt.  Maar ik weet nog wel dat het de moeite loonde een stukske speeltijd af te staan, en zo een echte, authentieke vergadering bij te wonen, met achter de bestuurstafel een voorzitter die «het woord gaf» en officieel bedankte, een schrijver die een verslag van de vorige vergadering voorlas, en nog een paar anderen waarvan de functies en attributen niet onmiddellijk duidelijk waren, maar die des te ernstiger keken naarmate zij daar minder schenen te doen te hebben.

      Die deftige, iet of wat zwaarwichtige atmosfeer, moest wel indruk maken op jonge broekjes die tot dan toe nooit aan het officiële leven van de gemeenschap hadden deelgenomen.  Maar allengerhand was er iets anders dat indruk begon te maken, wat zich ongezien en ongevoeld vastbeet in de ziel, wat daar snaren aan het trillen bracht die er altijd geweest waren maar nog op de eerste aanraking lagen te wachten, wat onbestemde gevoelens en onafgelijnde verlangens wakker riep: we werden ons zo zoetjesaan van iets bewust, we werden «Vlaams-bewust».  Wij leerden in 't verleden kijken, anders dan in de officiële geschiedenisles, en wij zagen daar grote dingen en grote mannen; en die grote dingen waren door Vlamingen gewrocht en die grote mannen waren Vlamingen geweest; en zij hadden geschitterd op alle gebieden van wat we nu cultuur noemen: zij waren schrijvers en dichters en zangers en muzikanten en schilders en heiligen.  En 't was als Vlamingen dat ze nu nog in de geschiedenis bekend en beroemd waren...  En dan leerden we kijken in het heden: daar was ook nog wel een en ander om ons te verblijden, daar waren nog schrijvers en schilders en beeldhouwers en toondichters, maar zij waren officieel minder beroemd naarmate ze meer Vlaming waren.  We voelden dat daar iets mank aan 't lopen was: naast het bewustzijn van de oude glorie kwam zich het bewustzijn scharen van de huidige achteruitstelling, systematische verknechting en dooddrukkerij !  En 't was met een zekere verbetenheid dat wij «Fierheid» en «Ter Venster» van Rodenbach begonnen te declameren, want in ons had Roland's toren geluid.  Wij voelden ons aan het knooppunt van verleden en toekomst: 't verleden had in ons een zaad gelegd dat in de toekomst uit ons tot boom moest groeien: «In het heden ligt 't verleden, in het nu wat worden zal» !  Geheel die schone romantiek was als de tovertik van de fee op de slapende gevoelens van onze jonge harten, en de een voor en de andere na, de een vroeger en de andere later, volgens de graad van nuchterheid of ontvlambaarheid die de Schepper in ons had gelegd, werden wij meegezogen in het spoor van de Kerre.

      En stilaan zouden wij gaan meetrekken !

      Als ik nu die lange trap van bijna dertig jaren (dertig jaar bijna !) afdaal in de diepten van mijn memorie, dan stoot ik op iets waarover ik mij nu hartgrondig zou moeten schamen: mijn eerste optreden in de Kerre met een «speech» over Stijn Streuvels van wie ik toen ongeveer zoveel afwist als ik nu nog weet van het ezelsbrugske... en iedereen zal me geloven als ik zeg dat dit bitter weinig is...  Dat ik nu niet meer over 't ezelsbrugske zou geraken, is niet bij machte om mijn gemoedsrust te storen, maar dat ik toen in een staat van zo verregaande onwetendheid...  En toch daar zit het hem tenslotte niet !  Wat wij toen zegden had — Goddank — niet veel belang.  Maar dat de Kerre ons — mij en vele anderen — heeft leren optreden, heeft leren voor een publiek te staan zonder in de benen verraderlijke neigingen tot onstandvastigheid te constateren; dat ze ons van die kant heeft voorbereid op de tijd dat het ook belang zou hebben wat we zegden — dat was en is van betekenis.  Als mijn uur gekomen was om de vervaarlijke klip te omzeilen van de eerste echte preek, voor een echt publiek van vaste kerk-abonné's die kritisch zaten te scheelogen of die «nieuwe» hun misschien het genoegen zou gunnen te blijven steken, en ik daarbij niet op mijn fundamenten stond te daveren, en niet «hakkelde ongeriefd nog van woorden», en er veel kalmer stand dan in de tijd bij het opzeggen van «de reeks» — dan heb ik met dankbaarheid teruggedacht aan de Kerre en de buiten-muurse studentenbonden die hebben ons een onschatbare voorsprong gegeven op de sukkels voor wie het in gelijkaardige omstandigheden inderdaad voor de eerste keer ernst was.

* * *

      Het zou een te lange plechtigheid worden, als we hier de zes jaren Kerre die wij meemaakten, stuk voor stuk zouden laten defileren.  Maar één Kerre heeft toch recht op een afzonderlijk memento, omdat zij bij iedereen, wat de blijde en droeve mysteries van het leven hem ook gebracht hebben, toch nog een naglans van voorbije studentikoze heerlijkheid zal oproepen: de Kerre van de Guldensporenslag.  Dat kan ik natuurlijk niet beschrijven zoals de zaak het verdient.  Maar gij weet nog wel dat het een avondlijke Kerre was in open lucht, in het spel van de rederijkers, en dat daarbij zo daverend gespeecht en zo dreunend gezongen werd, met de opzettelijke bedoeling het te doen klinken tot in de geburen, waar toentertijde bij onze zusters en nichtjes het Vlaams bewustzijn nog achter dubbel slot werd gehouden.  En wij hoopten in stilte dat aan de overzijde van de grens die de mannelijke van de vrouwelijke opvoeding in Eeklo scheidde, in stilte mee werd geneuried wat bij ons vrij en vrank mocht gezongen...  Dat was, bij mijn weten, ook de enige Kerre waar een leeuw bij te pas kwam, (want ik geloof niet dat de bond.  toen een eigen vlag rijk was), die om te sluiten, in de halve deemstering reeds, op de kadans van kloeke benen en het rhythme van stilaan overslaande stemmen mee ten rondedans werd gevoerd, met een halte onder het raam van de superiorskamer, waar de «baas» — het vroegere «meneerke» — met sympathieke goedkeuring en oprecht meeleven, al zijn witte tanden bloot kwam lachen...

* * *

      De Kerre had een aanhangwagentje, en dat aanhangwagentje was het «Gildeblad» !  Bestaan ze nog en waar zijn ze vervaren, die dikke, vergeelde schrijfboeken (die van onze tijd zullen nu ook wel al vergeeld zijn), waar onder zo vele generaties van geschriften de meest romantische schuilnamen prijkten, waarvan het versluierend karakter door het bekende geschrift er boven al onmiddellijk te niet werd gedaan.  Hoe gaarne zouden we nu — nu we weer als 't ware een opstel voor het oude Gildeblad aan 't schrijven zijn — met de ogen langs die vele bladzijden wandelen en heel die lange stoet voorbij zien trekken van voorgangers en tijdgenoten en nakomers, en raden van wie dit of dat geschrift ook weer mocht zijn...  En moest het niet erg onwerkelijk klinken vanwege iemand die geen rooie duit zijn eigendom kan noemen, ik zou zeggen dat ik er veel voor geven wilde om nog eens al de opstellen te herlezen, waarin ik wellicht het geschrift zou herkennen dat hic et nunc onder mijn pennepunt te voorschijn komt, en die ondertekend zijn met een krijgshaftig «Wiking» omdat de «auteur» zich verbeeldde dat de waterplassen van zijn dorp, en de werkelijk mooie kreken, nog van verre iets te maken hadden met de oude Noordzee waarop eenmaal snekken voeren...  Het zou misschien wel een tikje vernederend inwerken, en wellicht zouden we in wijze bezonnenheid het reeds grijzend hoofd schudden...  En toch zou er in ons hart nog iets zijn dat fier is, omdat we daar iets zouden terugvinden wat uit die tijd het meest authentiek van ons is.  Gelegenheden om opstellen te maken en om ons te buiten te gaan aan beschrijvingen van poëtische zonsop- en ondergangen en sneeuwlandschappen (in de derde latijnse liefst als we smolten van de zomerhitte !) en zelfs van de drukte in een klein-stads-station (item derde latijnse !), kregen wij op de zes treden van de humanistische vormingstrap ruim genoeg en wel eens meer dan ons lief was.  Maar voor het Gildeblad schrijven, dat was iets anders, dat was helemaal van ons: zelf ioeslist of wij het zouden doen, zelf beslist waarover het zou gaan,spontaan en met liefde — die vaak groter was dan het talent — geschreven.  Dat was niet door een vlijtig professor voor ons uitgedacht, daar was niet de schoolse dwang mee gemoeid van het moeten en soms niet kunnen, wat wel eens tot minder aangename gevolgen kon leiden.  Wanneer wij b.v. niet wisten hoe wij een haasje moesten doen spelen in de sneeuw (wat de prof wellicht al evenmin wist omdat hij het zo min als wij ooit gezien had), dan hadden wij nog niet het recht, zoals mijn memorie met pijnlijke nauwkeurigheid genoteerd heeft, om over de schouder van de buurman te gaan loensen hoe zijn haas het er afbracht.  Want door dat nagenoeg identieke spel van die twee hazen, bewees men op al te overtuigende wijze dat er in feite maar één was en dat men die van zijn buurman voor de gelegenheid had geleend, wat én buurman én jezelf achteraf helemaal niet als een verdienste werd aangerekend.  Bij schrijven voor het Gildeblad bestond die wezenlijk school-gebonden bekoring om af te schrijven niet.  Men schreef niet als men moest, maar als men kon en wat men kon.  En hoe stuntelig en onliterair dat alles of veel daarvan ook moge geweest zijn, het heeft ons toch altijd iets geschonken: heeft het van ons ook al geen letterkundigen gemaakt, wat ik voor mijn part afdoende aan 't bewijzen ben, het heeft ons toch over de vrees heengeholpen iets van zichzelf aan het publiek uit te leveren.  En dat is meer dan men op een eerste gezicht zou vermoeden.  Men begrijpt dat pas wanneer men op rijpere leeftijd o.m. als functie heeft anderen aan 't schrijven te krijgen, en dan op de vaak ingewortelde angst stoot om zijn eigen gedachten en gevoelens in een b1ijvende vorm — want het gesproken woord vervliegt — ter beschikking van anderen te stellen.

* * *

      Daar moet nu nog een slot aan komen.  En we sluiten dan maar met een samenvatting van wat de Kerre ons, naar we menen, aan weldaden heeft geschonken.  De Kerre heeft ons flamingant gemaakt; de Kerre heeft ons leren bewonderen, leren liefhebben, het Vlaanderen van voorheen en Vlaanderen van heden.  Misschien waren wij minder kritisch dan de jeugd van heden, die wel eens volwassen is voor haar tijd en ook haar reacties van geestdrift en bewondering heel bezonnen afweegt en doseert; maar wij waren spontaner, konden meer onverdeeld en zonder terughouding in bewondering gaan voor wat we bewonderenswaardig vonden: een gebeurtenis, een boek, een mens.  Iedereen uit onze tijd, zal zich herinneren hoe er een dweepte met Verschaeve, hoe er een opliep met de wijze Dosfel, hoe er een zwoer bij Pater Callewaert, en hoe wij allemaal met een uitstalling van «Vlaamse koppen» de naakte chambrette-planken de taal van ons hart deden spreken.

      De Kerre heeft er velen helpen uitstijgen boven het banale, het middelmatige, het uitgesproken vereerde zelfs.  Van vele togen en pijen werd daar die eerste draad, gesponnen, van vele missie-roepingen werd daar de eerste klank vernomen, van vele levens in dienende liefde midden in de wereld, werd daar de grondslag gelegd.

      De Kerre heeft ons leren spreken, leren schrijven; de Kerre heeft ons hart ontbolsterd, er de voren opengeploegd en er de zaden van veel schoonheid en goedheid neergelegd.  De vruchten van ons leven — die helaas altijd veel schameler blijken te zijn dan we toen gedroomd hadden — dragen iets in zich, volgroeid en volwassen, van die eerste «speech», van dat eerste opstel, van de zindering van een lied en het rhythme van een geliefd gedicht...  Zonder de Kerre waren wij nu anders geweest, maar dat andere was beslist niet beter geweest.

Dr. B. M. Van Hulse, O. P.      
 

De ouders van Michaël:
Eduard Van Hulse (VIIIe) en Maria Palmyra Heirman

Voor aanvullingen en verbeteringen, neem aub contact op met ons !

Doorzoek onze Van Hulse webstek:

search engine by freefind

Onze Van Hulse home page
De Van Hulse stamboom van Pater Nicolas
Inhoudstafel

Meer stambomen

MijnPlatteland homepage
MijnPlatteLand.com

Meest recente bijwerking :  26-01-2026
Copyright Notice (c) 2026