DAG BIJ SIEN.

Om drie uur kwam Sien ons halen, Sien, de goeie ouwe Sien.  Ze was jaren lang onze schoonmaakster, paste op ons als moeder uitging.
Sien had een mager, spichtig gelaat, een dunnen gebogen neus, veel sproeten en haar, dat netjes onder de zwartwollen muts geplakt lei.
Sien deed ons 'verhalen', Sien gaf ons kaakjes die ze van den bakker cadeau kreeg, Sien onthaalde op balletjes, de goeie ouwe Sien, die dood is, gestorven in een besjeshuis.
Wij, kinderen, m'n zuster en ik, waren dol met Sien.
Zoo kun je begrijpen, dat, toen moeder vader van boord zou gaan halen en wij bij 'Sien thuis' zouden eten, 't gewoon een feest was.  Bij Sien thuis !  Nog nooit waren we bij haar geweest, nog nooit hadden we buitenshuis 'gedineerd'.
'Zul je goed op ze passen ?', zei moe, bezorgd.
'Ga u maar gerust, mevrouw,' zei Sien, haar neus droogwrijvend met het vlak van haar hand: 'de jongeheer en de jongejuffrouw zullen 't gòèd bij me hebben.  Ik zal is lekker spekpannekoeke voor ze bakke, hé, kinderen ?'
'Spekpannekoeken !', riep ik.
'Spekpannekoeken !', riep zus.
We dansten de kamer rond, hadden haast geen lust om moeder gedag to zoenen.
'Kinderen, kinderen, niet zoo druk,' vermaande moeder : 'jullie geeft me geen tijd om me behoorlijk aan te kleden !  Sien - in de keuken heb ik een pakje voor je klaar gezet, hoor je ?'
'Een pakje mevrouw ?'
'... 'n afgedragen rok, wat snippers en dan 'n heele boel beenen die je verkoopen mag - beenen van de soep van gister.'
'Dank u wel, mevrouw.'
Sien dribbelde naar de keuken.  Wij haar na.  Moeder liet haar altijd de vodden en beenen verkoopen.  Daar had ze dan 'n wekelijksch extraatje van.  In de keuken, netjes ingeknoopt, lag 't pakje klaar.
'Nou - d'r zit me heel wat in,' zei Sien tevreden: 'sjongen, sjongen wat 'n beenen van de week !  Jullie heb me aardig gekloven, hè !'
'Sien haast je nou wat !'
'Ja, ja, jongeheer !'
'Kom dan Sien !', klaagde zus.
'De pannekoeke !', riep ik.
Hè, zoo'n héélen dag bij Sien, en spekpannekoeken eten, dat was me zoo iets.
Wij lieten haar geen oogenblik alleen, holden de gangen door, zoenden moeder nòg eens - toen op weg.
Druk-babbelend liepen we mee.  Zij had ouwe, beenige rimpelhanden met koperen ringen.
Eerst kocht ze balletjes, toen kregen we 'n glas melk - zoo snoepend kwamen wij bij haar 'thuis'.
Ik weet nog op een háár na, hoe 't er bij Sien uitzag.
Ze woonde op een kamertje, twee-hoog, achter.  Er stonden bloempotten voor 't raam dat uitkwam op een binnenplaats.  Er hingen prenten aan den wand met oorlogsschepen en admiraals en tegen den schoorsteen had ze het Prinsesje gespijkerd tusschen een ouden kalender en een reclamekaart voor scheerzeep.  Wij kinderen keken nieuwsgierig rond, bewonderden de snuisterijen op de latafel, bewonderden de prenten, speelden met ganzebord en pepernoten.
Terwijl stond Sien te koken.  Ze had 't èrg druk.
Eerst lei ze haar kacheltje aan, zette water op, begon het beslag voor de pannekoeken klaar to maken.  De groote potlepel roerde in de roodaarden pan; de knokelige handen bewogen ijverig.
'Jongeheer en jongejuffrouw,' zei Sien : 'nou zullen jullie is smullen !'
'Krijgen we enkel pannekoeken ?', vroeg zus.
'Nee hoor,' lachte Sien geheimzinnig: 'jullie zal je maagjes vòl eten... eerst lèkker soepie... dan vleeschie met aarpels en lèkkere saus... en dan zooveel pannekoeken as je maar lust.'
Wij speelden al geen ganzebord meer.  De soep stond to pruttelen, 't vleesch lag to braden en in de rood-aarden pan was een beslag voor een kazerne soldaten.
Sien liet ons voor afwisseling haar bedstee zien, een bedstee van oude kussens en gestopte dekens.
Er hing een crucifix aan het hoofdeind.
En ze vertelde van haar man, die gestorven was voor twee jaar, en wàt hij gescheeld had en hoe benauwd-ie 't an zijn hart had gehad en hoe-die hartstikken dood was gebleven an tàfel.
Wij kinderen luisterden angstig, keken schuw rond.  Van den schoorsteenmantel kreeg ze een vergeeld portretje.  Wij namen het griezelig in de handen - tot we voor niets anders aandacht hadden dan voor de pannekoeken.  Wat dee Sien 't gezèllig.  Net alsof je op de kermis was.  Uit den potlepel glee 't beslag in de koekepan en dan werd 't meel langzaam bruin.
Wij zaten er bij met een genot zonder einde.  Soms mocht zus 't beslag oplepelen, eens mocht ik den pannekoek 'keeren'.
Sien bakte er wel twintig, bang dat we niet genoeg zouen krijgen.
'Als je moe je vanavond komt halen - moet je niet to klagen hebben, hoor !'
Zij dekte de tafel, zette het grove gerei klaar, de ijzeren messen, de ijzeren vorken, de flesch azijn, het Keulsche potje met zout, de bruine suiker.
En wij aten zóó onbehoorlijk als wij het thuis nooit deden.  Het was een prachtige maaltijd.  Eerst ieder twee borden soep met kluifjes.  Sien kwam met den ijzeren pot bij de tafel, lepelde in de borden.
Wij smulden.  Het was een heerlijk soepje.  Toen kwam het kleine stukje vleesch met de aardappels.  Sien sneed het stukje netjes in drieën, nam zelf den kleinsten brok, telkens herhalend dat we ons 'zat' moesten eten, dat ze voor geen 'geld' wou dat we thuis zouden klagen.
Toen dé pannekoeken !
Wat een stapel !  Bedrukt begonnen wij, verdrietig dat er zóóveel zou moeten blijven staan.  Er was geen doorkomen aan.  Sien zelf scheidde er na den tweeden uit, puffend en blazend.
Wij schrokkiger, brachten het tot drie en vier.  Toen zaten wij te kieskauwen, keken sip naar de overgeblevene, de dikke, bruine pannekoeken, die to veel waren.  Sien, zuchtend, ruimde af.  Wij ongemakkelijk waren stil geworden.  Zus sliep in - ik bekeek de pijpen van den overleden man.
Vader en moeder kwamen ons tegen negen uur halen.  Zus sliep nog.
'Nou mevrouw,' zei Sien gezellig blij: 'de poes zal niet met d'r maag wegloopen.  Ze hebben gegeten, gegeten !  Gossiemijne wat hebben die kinderen gestouwd !  Daar sta 'k verbaasd van !'
'Ja ze kùnnen goed eten,' knikte moeder.
'O, moe, we hebben zóóveel pannekoeken gegeten !' vertelde ik uitbundig: 'zus drie en ik vier !'
'Zoo,' zei vader: 'daar kun je 't bèst mee stellen.  Toen ik jong was, heb ik wel eens minder gegeten !'
'Nou maar, wat meen u meneer !', viel Sien beleedigd uit: 'denk u dat 'k de jongeheer en de jongejuffrouw alleen pannekoeken voorgezet heb ?  Dat zou wat moois wezen !  Nee hoor ! - Vertel is jongeheer wat je nog meer heb gehad !'
'... Nou,' zei ik: 'we hebben eerst soep gehad en toèn vleesch en aardappelen en toèn...'
'Maar Sien !' knorde moeder: 'hoe kun je nu toch zoo dwaas zijn, om voor kinderen zóó'n diner klaar to maken.  En nog wel soep ook !  Moest je je nu zóó uitsloven ?'
'Ach wat !' lachte Sien glunder: 'ik heb altijd me soepie as 'k bij ù gewerkt heb !'
'Dan heb je zeker geld to veel,' meende moeder.
'Wel nee, mevrouw,' lachte zij weer: 'ik kook de beenen nog is af voor 'k ze wegbreng...'
'Heb je de beenen van vanmiddag nóg eens in je soep gedaan ?' vroeg moeder met een eenigszins onpleizierig gezicht.
'Nou óf ik !' zei Sien sekuur: 'd'r blijft veel te veel krácht in, om as je ze eens gekluifd heb - ze zóó maar to verkoopen...'
Sien is lang dood - maar dàt bordje soep vergeet ik niet licht.
 

Uit: Schetsen en Vertellingen door Samuel Falkland
Kruseman's Uitgeversmaatschappij b.v., Den Haag, 1977.

Naar de top van deze blz
Onze Meetjesland home page
mijnplatteland.com

Meer goede raad
Recent updates
 

MijnPlatteland homepage
MijnPlatteLand.com

Meest recente bijwerking :  05-01-2022
Copyright (c) 2022