Uit tijdschrift "Ons Meetjesland", 1980, 13de jaargang, nr. 4

De gemeente Waarschoot, die officieel bijna 600 jaar bestaat, kende tot op het einde van de 19e eeuw geen enkele vorm van brandbestrijding.

Dit feit wordt bevestigd in januari 1823, toen de gemeente op een rondschrijven van de gouverneur antwoordde, dat hier geen enkel brandreglement bestond en geen blusapparatuur voorhanden was.

Na dit onderzoek wordt op 28-01-1824 een besluit uitgevaardigd waardoor iedere gemeente verplicht werd een "vorm" van brandbestrijding te bezitten.

Dat besluit werd besproken op de gemeenteraadszitting van 11 augustus 1824 en men besluit dat een "voorlopig" korps zou samengesteld worden.

Volgende personen werden daartoe benoemd:

1.   Opper brandmeester: Francies Delskens, timmerman
2.   Notabelen: J.B. Maenhout, landbouwer (Voorde)
3.     Livinus Blanquart, landbouwer (Arisdonk)
4.     S. De Backer, boswachter (Oostmoer)
5.     Martinus Roegiers, landbouwer (Weststr.)
6.   Assistenten: Bernard Claus, metser (Voorde)
7.     Jan Bapt. Wille, herbergier (Voorde)
8.     Livinus Heirbrandt, wever (Oostmoer)
9.     Jan Bapt. De Vrieze, metser (Oostmoer)
10.     Jan De Craene, herbergier (Weststraat)
11.     Livinus De Bleecker, zager (Kere)

Deze elf spuitgasten maakten dus deel uit van het eerste officieel brandbestrijdingsorgaan dat de gemeente Waarschoot ooit gekend heeft.

Men bemerke dat reeds een half jaar na het verschijnen van het koninklijk besluit er een gevolg was aan gegeven.

Deze snelle beslissing was wellicht het gevolg van enige ernstige branden die in die tijd het land teisterden.

Op 24 juli 1824 had in het Brabantse stadje "WALWIJK" een tragische brand plaats, waar in minder dan 2 uur tijd 51 huizen en 14 schuren volledig plat brandden.  In totaal waren er 120 gezinnen dakloos.

Iedere gemeente van de Nederlanden ontving toen een rondschrijven om een solidariteitsaktie op touw te zetten en te waarschuwen om soortgelijke branden te vermijden.

Hoewel er nu een "voorlopige brandweer" was, zonder blusapparatuur evenwel, kon niet verhinderd worden dat een tragische brand de inwoners trof.

Op 1 december 1825 namelijk werden op de Leest 4 woningen door het vuur vernield, nl. de huizen van Augustinus De Rijcke, Piet er Joannes Ingels, Francies De Sones, Bernard Van Vooren.

Naar schijnt zou een vuurgenster uit de schouw van Bernard Van Vooren ontsnapt zijn en op de strodaken terecht gekomen, waardoor het vuur was ontstaan.

Het spreekt vanzelf dat die brand en de machteloosheid van het "spuitkorps" druk werd gekommentarieerd door het volk van de gemeente, en door het bestuur.

Het duurde evenwel tot op 26/01/1828 vooraleer de gemeenteraad besloot een "brandspuit" met de nodige toebehoren aan te kopen.  Een begroting werd goedgekeurd om in het jaar 1829 die "brandspuit" te kunnen aanschaffen.

Nu de brandspuit in gebruik genomen werd, bleek dat nog verschillende gereedschappen noodzakelijk waren om efficiënt te kunnen optreden.  In de gemeenteraadszitting van 25/09/1829 wordt de aankoop besproken van drie haken, vier bijlen, drie ladders en twee fakkels, teneinde de blusapparatuur wat aan te vullen.

Het bleef toen bij een bespreking, en ditzelfde probleem kwam ter sprake op de raadszitting van 17 maart 1830 waar men tenslotte werk maakt van die aanbesteding en volgende advertentie samenstelt:

" Burgemeester en assessoren der gemeente Waerschoot, laten bij deze weten, dat zij ten gevolge van het besluit  van W.E. Groot Achtbare Heeren gedeputeerde staten  dato 7 mei 1829, woensdag 31 dezer maand om negen uren voormiddag ter sekretarij dezer administratie, zullen overgaan tot het doen aanbesteden bij opbod van:
  - drie brandhaken, lengte 10 ellen
  - drie touwen met haken, van 25 ellen
  - vier handbijlen
  - drie ladders van 30 en 40 sporten
De gegadigde om gemelde voorwerpen aan te nemen laten hun woensdag eerstkomend om 9 uren 's morgens ter sekretarij vinden, alwaar hun kennis zal gegeven worden, van de wijze, op welke deze moeten worden gemaakt.
Gedaen te Waerschoot ter raadhuize in zitting van den 17 maart 1830.
  get. de sekretaris
    De Vliegher
get. de burgemeester
    J.B. Uyttenhove

Omtrent verdere brandbestrijdingsmiddelen wordt voorlopig niet meer gesproken.

De archieven vermelden rond het midden van de 19e eeuw enkele branden die het vernoemen waard zijn:

  1. In 1848 brandden een schuur en stallingen volledig af.  De eigenaar wordt niet vernoemd, doch er wordt wel bijgevoegd dat de brand met kwaad opzet werd gesticht.  De dader werd aangehouden en na bekentenissen ter dood veroordeeld.
     
  2. Op 12 mei 1851 brandde het bij Karel Francies Buysse, waar, naast het landbouwgereedschap, het stro en het voeder vernield werden.  Men vermoedt dat de brand ontstaan is door dieven die 's nachts de konijnen wilden stelen en door onvoorzichtigheid vuur hebben gemaakt.
     
  3. Op 19 juni 1851 brandde het weerom.  Ditmaal in het huis van Lieven Boterdaele op Beke.  Het huis, dat deel uitmaakte van een "tweewoonst" werd bewoond door Francies Van Wassenhave.  Hier zou onvoorzichtigheid de oorzaak zijn geweest.
    5 weefgetouwen gingen in de brand teniet (4 bij Van Wassenhove zelf en 1 bij zijn gebuur Pieter Malezie, die beiden hun broodwinning zagen verloren gaan).
     
  4. Op 5 november 1863 brandde het op de Kere.  Het huis bewoond door zekere Pieter De Ruyter werd volledig in de as gelegd.  Men schrijft de oorzaak toe aan kleine kinderen die er met (fosfoor) stekjes zouden gespeeld hebben.
     
  5. In 1871 werd de Weststraat door brand gealarmeerd.  De brand woedde bij zekere Joannes Teirlynck, in een huis toebehorende aan het armbestuur.  Zijn 5½ jarig kind had met lucifers gespeeld en het strobed in brand gestoken.  Het vuur breidde zich snel uit en vernielde gans het huis.

Het duurde tot in 1877 vooraleer het probleem van de brandbestrijding nogmaals op het agenda van de gemeenteraadszitting stond.

De gouverneur had in dat jaar immers iedere gemeente verplicht ofwel een eigen, volledig uitgeruste, brandweerploeg op te richten, ofwel een overeenkomst te sluiten met een naburige gemeente of stad.

Er werd in die zitting besloten dat een eigen, volledig uitgerust, brandweerkorps overbodig was.  Enerzijds waren de branden eerder zeldzaam te noemen, en anderzijds was de degelijkheid van dat kostelijke materiaal verre van bewezen.  Ten derde gaf de financiële kant de doorslag.

Tussen 1877 en 1925 werd de kwestie "brandbestrijding" nog herhaalde maal besproken doch telkens verdaagd of geklasseerd zonder verder gevolg.

Waarschijnlijk was inmiddels het bestaande blusmateriaal onbruikbaar geworden, want hoewel in 1830 een soort brandweerkorps werd opgericht dat met enige kleinigheden was uitgerust, antwoordde de administratie van de gemeente op 8 april 1891 op een vraag vanwege het gouvernement, dat er te Waarschoot op dat ogenblik GEEN brandblusmateriaal voorhanden was.  En het bleef aldus tot in 1925.

In laatstgenoemd jaar werd op initiatief van de Waarschootse Nijveraars een vorm van brandweer opgericht., zij het dan eerder een "bedrijfsbrandweer".

Op 22 oktober 1923 had de beheerder van de S.A. de Waerschoot aan de burgemeester een onderhoud aangevraagd tussen het schepencollege en de drie grote nijverheidskomplexen, en dit omtrent het gezamenlijk oprichten van een brandweer.

Volgens de mening van de burgemeester was een "gemeentelijke" brandweer niet nodig, tegen het idee van de beheerder van de S.A.W. in.  Na een bezoek aan voornoemde beheerder, werd het onderhoud verdaagd naar het volgend jaar, 1925.

Op 5 juni 1925 nam de gemeente dan zelf dit probleem in handen en vroeg zelf een onderhoud aan met Dhr. Van Acker van de S.A.W.  Deze liet geen tweemaal met zich spotten en antwoordde beleefd dat de fabriek inmiddels haar eigen pompiersdienst had opgericht, en dit volledig op eigen kosten.

Verdere besprekingen bleken dus onnodig en het geval brandweer wordt weer verschoven naar 1928.

In de zitting van 09/05/1928 werd er druk gediscussieerd en werden de voor- en nadelen overwogen nopens het oprichten van een volledige eigen brandweer ofwel de aansluiting met de brandweer van Gent.

Dit laatste geval was een voorstel van raadslid Wille.  Raadslid De Pauw, die in de oppositie zat, ging ermee akkoord op voorwaarde dat de gemeente toch haar eigen materieel en manschappen zou bezitten om ofwel kleinere branden zelf te kunnen bedwingen, ofwel op te treden in afwachting van de komst van de Gentse brandweer en aldus de schade te beperken.

Na wat heen en weer gepraat werd de aansluiting met de Gentse brandweer een feit en het kontrakt werd op 09/05/1928 opgemaakt.

Men zal ongetwijfeld begrijpen dat de doeltreffendheid van de Gentse brandweer veel te wensen over liet.  Enerzijds was er de grote afstand en anderzijds, had men, om misbruiken tegen te gaan, enkel 5 personen gemachtigd de Gentse brandweer op te bellen.  Deze 5 kenden een geheim codewoord, en slechts op hun "code" oproep werd gereageerd.  Eer de 5 gevolmachtigden gevonden waren, of tenminste één ervan, was de brand soms al te ver gevorderd om nog te beginnen blussen.

De gemeente was zich spoedig van die nadelen bewust en onderzocht opnieuw de mogelijkheid een eigen korps op te richten, al was het maar een "eerste hulp korps".

Het kasteel van de Dam.
Prentkaart uit de verzameling van A. Ryserhove.

De direkteur van de gasfabriek van Deinze, promotor in de brandbestrijding, steunde de voorstanders van een eigen korps en gaf hen enkele praktische en zeer nuttige inlichtingen terzake in een omvangrijk schrijven van 14/03/31.

Alles bleef totnogtoe bij beraadslagingen en er werd niets konkreets beslist.

Een brand in juli 1935 in het kasteel op de Dam, bewoond door Dhr. de Hemptinne, was oorzaak van nieuwe beraadslagingen.  De heer de Hemptinne zelf had immers de hulp van de Eeklose brandweer ingeroepen en kreeg daarvoor een rekening, als volgt gedetailleerd:

  - daguren
- gebruik autopomp
- vervoerkosten
211,50 F.
100,00 F.
60,00 F.
  hetzij een totaal van 371,50 F.

De heer de Hemptinne eiste dit bedrag natuurlijk terug van de gemeente Waarschoot, die niet kon weigeren, gezien het koninklijk besluit van 15 maart 1935 dat het volgende bepaalde:

" De gemeenten moeten zorgen dat zij over voldoende middelen ter beveiliging tegen brand kunnen beschikken, door zelf een brandweerkorps, uitgerust met het geschikte materiaal in te richten, of door een overeenkomst te sluiten met een of meer andere gemeenten.  Deze beveiligingsmiddelen kunnen desnoods aangevuld worden door overeenkomsten gesloten met private organismen.  Bewuste overeenkomsten worden door de gouverneur der provincie ter goedkeuring onderworpen".

De gemeente zat dus opnieuw met problemen.  De oprichting van een eigen korps werd voor de zoveelste maal besproken en het onderzoek in die richting gaat verder.

In december 1937 bovendien wordt ook van officiële zijde aangedrongen om, zij het niet een volledig eigen korps, dan toch een eigen dienst voor "eerste hulp bij brand" op te richten.

De gemeenteraad van Waarschoot weet echter nog niet wat beslissen en ging ten laatste inlichtingen inwinnen bij de naburige gemeenten.  Een rondschrijven in die zin wordt dus gericht aan de gemeenten Wondelgem, Evergem, Assenede, Mariakerke, Kluizen, Lovendegem en Ertvelde.

Uit dit onderzoek bleek dat alle bij de Gentse brandweer waren aangesloten, uitgenomen Assenede, dat enkele jaren geleden een eigen korps gesticht had met 26 leden.

Ze voegden er zelfs aan toe dat hun vrijwilligers beloond werden met een jaarlijks bedrag van 10 frank per man en eveneens een jaarlijks gratis "souper".

Waarschoot nam dan maar zijn toevlucht bij de Gentse brandweer en sloot eveneens aan.

Die aansluiting bleek een "kostelijk" geval te zijn, en de gemeente nam spoedig inlichtingen bij Eeklo, doch daar lagen de prijzen nog hoger.

Waarschoot meende uiteindelijk de ideale oplossing gevonden te hebben door samen te werken met de S.A. de Waerschoot, die over een uitgebreide gamma blusmateriaal beschikte.

De gemeente gaf, bij wijze van opzeg, haar nieuw voornemen te kennen aan de Gentse brandweer.

Deze replikeerde onmiddellijk dat een aansluiting bij de S.A.W. strijdig zou zijn met de bepalingen van het K.B. van 1935.

Per brief van 31 augustus 1938 keurde ook de gouverneur die aansluiting af, want, zo oordeelde hij, de S.A.W. beschikte over materiaal om in zijn eigen veiligheid te kunnen voorzien, doch was niet uitgerust om op gemeentelijk vlak te kunnen optreden.

Zodus was er nog geen doeltreffende beslissing genomen en beschikte de gemeente nog steeds niet over een vorm van brandbestrijding.

Het bleef geruime tijd zo, want de branden zelf kwamen niet zo vaak voor, wat men op volgende tabel kan bemerken:

    1935 1936 1937 1938
  schoorsteenbrand
begin van brand
gewone brand
uitslaande brand
-
-
1
-
-
-
2
-
-
-
1
-
1
2
-
-
  Totaal 1 2 1 3

Tegen de aanvang van de tweede wereldoorlog 40-45 worden de branden talrijker en de Gentse hoofdbrandweer zet zelf alle aangesloten leden aan om een eigen "eerste-hulp" dienst op te richten.  Het hoeft niet vermeld dat in de meeste plaatsen dergelijke hulpdiensten reeds bestonden.

Na die aanmaning dus, in 1940, werd eindelijk een dienst voor eerste hulp bij branden opgericht en van de hoofdbrandweer van Gent krijgen ze twee emmerpompjes waarmee ze zich konden verhelpen.

Het materiaal wordt langzamerhand aangevuld en tegen het einde van het jaar 1940, in december, kunnen we volgende inventaris aanleggen van al het brandbestrijdingsmateriaal van de gemeente Waarschoot:

  - 1 motorpomp, debiet 60 m3
- 1 schuifladder van 10 meter
- 200 meter slang, diameter 45 mm.
- 800 meter slang, diameter 70 mm.
- 2 handhaspels
- 10 rookmaskers of -helmen
- 10 vest jassen van leder
- 3 paar gummilaarzen
- 4 lansen van diameter 45 mm
- 2 lansen van diameter 70 mm
- 2 verbindingsstukken van 45 mm naar 70 mm
- 10 helmen
- 10 lederen riemen met bijlen
- 10 reddingskoorden van 20 meter
- 3 paar gummi handschoenen
- 3 draagbare elektrische lampen.

De aansluiting met de Gentse brandweer kostte veel geld en bovendien diende de brandweer van Eeklo herhaalde maal tussen te komen, zodat nog tijdens de oorlog zelf de oprichting van een volledig zelfstandig korps weer ter sprake kwam.

Die tussenkomst van Eeklo was ook kostelijk en de Gentse hoofdzetel betaalde daar niets van terug.
Enkele voorbeelden:

-   op 18 december 1941 brak brand uit bij Richard De Vrient in de Stationsstraat en de Eeklose brandweer rekende voor haar tussenkomst 937,50 F. aan.
 
-   op 16 maart 1942 brandde het bij landbouwer Kamiel Aelbrecht in de Weststraat.  Eeklo, dat hier weer tussenkwam, stuurde zijn rekening ten belope van 447,50 F.

Door de oorlog was inmiddels, in iedere gemeente, van overheidswege een "passieve luchtbescherming" opgericht, die tot taak had hulp te bieden bij eventuele luchtaanvallen en bombardementen.

Te Waarschoot waren de leden van de passieve luchtbescherming allen leden van de plaatselijke brandweer-eerste-hulp-dienst.

Die vereniging, de P.L.B., werd bestuurd door:

  kommissaris:
peletonschef:
sekretaris:
typist:
Louis Matthijs
Firmin Bulté
Omer Van De Rostijne
Marcel Martens

Voegen we hieraan toe dat de P.L.B. ook een medische hulpploeg had.

Al deze omstandigheden hebben er uiteindelijk toe geleid dat Waarschoot zijn eigen brandweerkorps heeft opgericht, nog steeds in afhankelijkheid van Gent, doch met betere voorwaarden.

Het eerste brandweerreglement werd samengesteld en op 12 maart 1942 ondertekend.

Het korps telde aanvankelijk 31 leden, bijna alle gekozen uit de leden van de "Passieve Luchtbescherming".

Het eigen brandweerkorps bestond nog niet lang of er was sprake van het kontrakt met Gent op te zeggen en voor dringende hulp aan te sluiten bij Eeklo.

De Gentenaren weigerden formeel hierop in te gaan, gezien er daartoe geen richtlijnen van overheidswege waren gegeven.

Iets later, waarschijnlijk ten gevolge van de houding van Gent, dringt Eeklo, per brief van 13/04/43, zelf aan opdat Waarschoot bij hen zou aansluiten.

Waarschoot heeft dus alle troeven in handen en die aansluiting zal spoedig verwezenlijkt worden.

Ter illustratie geven we hierna het bestuur van de op 12 maart 1942 opgerichte brandweerdienst.  Ziehier:

  Onderluitenant Majoor
Sergeant majoor
1e sergeant
Sergeant
Sergeant
Korporaal
Korporaal
Korporaal
Korporaal
Klaroenblazer
Rode Kruis
Albert De Bruyne
Theo Martens
Albert De Walsche
A. De Coninck
Willy De Vriendt
Marcel Lievens
Palmeer Putmans
August Braeckman
Leon Claeys
Arthur Wille
Werner Bouchier

Dit korps verrichte een uitstekend werk in juli 43, toen de bliksem was ingeslagen in het varkenskot van Alouise Boterdaele, Bos, en alles in lichterlaaie stond.

De gemeentelijke "vrijwilligers" deden al wat ze konden om het noodzakelijkste te redden, doch moesten lijdzaam toezien hoe de varkens, de konijnen, het stro, de kolen en het hout, samen met de gebouwen vernield werden.  Wat een ramp ! en dat in oorlogstijd !

Nog geen drie jaar later had op de Arisdonk weer een noemenswaardige brand plaats bij zekere Steyaert.  Dit gebeurde op 4 februari 1944.  Die brand was ontstaan door een afgeworpen vliegtuigreservoir dat op de gebouwen was terecht gekomen.

Zonder daarbij de kleinere branden te vergeten, hebben de eerste "pompiers" van de gemeente, in oorlogstijd, lastige dagen gekend.

De bevelhebber van het korps, Albert De Bruyne, was inmiddels, kort na zijn benoeming, verhuisd.

Op 7 januari 1943 werd hij vervangen door de politieagent en tijdelijk dienstdoende kommissaris, Alfons Swerts.

Ook hij bleef niet lang aan het bewind en gaf na twee maand zijn ontslag.

Op 18 maart tenslotte werd de heer Theo Martens tot onderluitenant-bevelhebber bevorderd.

Onder zijn leiding wordt het korps verder van blusmateriaal voorzien en tegen het einde van 1945 krijgt ieder van de 31 leden een persoonlijke helm.  In 1948 wordt zelfs besloten een eigen brandweerwagen aan te kopen.

Na de oorlog bleek de P.L.B. van geen nut meer te zijn, en alle korpsen werden ontbonden.  In de jaren 1947-48 worden alle ex-leden van de P.L.B. verzocht het in bruikleen gekregen materiaal in te leveren, teneinde een inventaris te kunnen opmaken en desnoods nieuwe materialen aan te kopen.

Die nieuwe aankopen bleken meer dan noodzakelijk en na een goedkeuring in de gemeenteraad, wordt in december 1949 overgegaan tot de openbare aanbesteding voor levering van:

  - 27 rollen persslang van 23 meter, diameter 70 mm.
- 20 rollen persslang van 20 meter, diameter 45 mm.
- 27 bronzen koppelingen, dia 70 mm.
- 20 bronzen koppelingen, dia 45 mm.
- 1 schuimlans, dia 45 mm, met reservoir
- 200 liter schuimvloeistof
- 2 sproeislangen
- 2 lansen, diameter 70 mm, met 3 koppen
- 4 lansen, diameter 45 mm, met 3 koppen
- 1 sirene
- 1 schuifladder
- 2 schuimblussers van 10 liter
- 1 emmerpomp

Na tal van verwikkelingen worden deze artikelen aangeschaft tot voordeel van de plaatselijke brandweer.

Op 16 juli 1953 werd het grondreglement van de plaatselijke brandweer herzien en het reglement dat op 9 april 1942 was vastgelegd, werd verbeurd verklaard.

Het nieuwe reglement werd ondertekend door burgemeester Arsène De Prest, schepenen Speeckaert en Welvaert en verder de raadsleden Roegiers, Meiresonne, Van De Veire, Landuyt, juffr. De Backer, Philips, De Wilde en tenslotte de gemeentesekretaris Leon Thijs.

Het korps werd volledig heringedeeld en opnieuw onder het centraal gezag van Eeklo geplaatst.

Het belangrijkste verschil tussen de twee grondreglementen behelst het volgende: in 1942 vielen alle onkosten ten laste van het korps zelf, dat weliswaar gemeentelijk gesteund werd, en in 1953 werden alle lasten ten koste van de gemeente gedragen.

De datum van 16 juli 1953 wordt dan ook aanzien als de stichtingsdatum van de huidige vrijwillige brandweer van de gemeente.

Het nieuwe korps had ambitie en wilde volledige zelfstandigheid bekomen.  Na een poging om zijn kontrakt met Eeklo op te zeggen kwam de gouverneur zelf tussenbeide en liet per brief van 20-01-54 weten dat er van een opzeg geen sprake kon zijn, daar uit een onderzoek gebleken was dat Waarschoots' korps niet voldoende uitgerust was om volledig op eigen benen te staan.

Er werd verbetering gebracht in die toestand en na een nieuw onderzoek van de brandweerinspektie, wordt de vraag tot volledige zelfstandigheid ingewilligd per ingang op 1-05-55.

Veiligheidshalve werd enkel nog een kontrakt van wederzijdse hulp ondertekend tussen de plaatsen Eeklo, Lembeke, Kaprijke, St. Laureins en Waarschoot.

Waarschoot's nieuwe brandweerkorps was als volgt samengesteld:

Korpsoverste: Robert Bulcke, die sinds 1942 korps overste ge-
weest was te Heist aan zee.  Hij werd op 6 april 1959 tot luitenant bevorderd.
 
Sekretaris:
 
Robert Claeys
 
Leden: in willekeurige orde: Omer Pauwels, Christiaan
Verleye, Daniël De Rijcke, Gilbert Van Holderbeke, Fernand Verleye, Eugene Duprez, Roger Claeys, De Block Marcel, Lodewijk Buedts, Leon Termont, André Claeys, Heli De Poorter, Gustaaf Claeys, Michel De Loof, Arsène Goethals, Herman Van Veirdeghem, Georges Meiresonne, Leon De Groote en Robrecht Janssens.

Op 19-02-54, dus omtrent 6 maand na de officiële stichting van het huidig korps, was het samengesteld uit 28 leden-vrijwilligers.

De blusapparatuur was eveneens aangepast, zodat het inventaris van de voornaamste stukken het volgende vermeldt:

  - 1 autovoertuig met brandweerkoetswerk
- 1 draagbare motorpomp op aanhangwagen
- 700 meter persslang, dia 70 mm
- 400 meter persslang, dia 45 mm
- 1 schuif- of steekladder

Een feit waar men niet overheen kan kijken, bij het navorsen in de archieven van de brandweer, is de aankoop per openbare aanbesteding van 27 lederen vesten en evenveel kurken helmen.

De aanbesteding sleepte bijna een jaar aan en er werden daaromtrent "stapels" brieven geschreven.

In 1969 bleek de brandweer van Waarschoot niet meer efficiënt genoeg uitgerust.  De oude brandweerwagen was versleten en bovendien was het debiet van de pompen en de spuitkapaciteit verre van degelijk voor een gemeente als Waarschoot.

Op 8 november 1967 was immers een K.B. verschenen dat bepaalde dat ieder gemeentelijk brandweerkorps uiterlijk tegen 1972 diende te beschikken over een brandweerwagen met eigen watertank.

De gemeente kon een tweedehandsvrachtwagen met brandweerkoetswerk op de kop tikken bij de Nato-basis te Brussel.  De prijs was bovendien zeer schappelijk, wat het voornaamste was, want de gemeente kon zich toen geen "dure" wagen veroorloven.

Door de raad werd op 27 november 1969 beslist die Nato-wagen aan te kopen voor een bedrag van 249.500 F.

De wagen had volgende kenmerken: Magirus Deutz, T.L.F. 15, bouwjaar 1954, uitgerust met een 6 cylindermotor in V-vorm, met watertank van 2.600 liter.

Tot slot geven we een paar gegevens uit het jaarverslag van 1971.

Samenstelling van het korps:

A.   Officieren:
  Luitenant-bevelhebber Robert Bulcke
Luitenant-geneesheer Rilaire De Prest
Onderluitenant Robert Claeys
 
B.  Onderofficieren:
  Sergeant-Majoor Omer Pauwels;
Sergeant Lodewijk Buedts
Sergeant Julien Van Hulle
 
C.  Korporaals:
  André Claeys
Firmin De Decker
Heli De Poorter
Robert Janssens
 
D.  Overige leden:
  Gustaaf Claeys, Leon De Groote, Alberic Nuyt, Julien Versluys, Christiaan Verleye, Raoul Bisschop, Aimé De Mits, Hendrik Claeys, Walter Uytterschout, Michel Vereecke, Willy Verbiest, Etienne Willems, Paul Van Der Stede, Luc Bonne, Daniël De Poorter, Paul Meiresonne, Etienne Gevaert.

Oproepen:

Gedurende 1971 werd de brandweer 12 maal opgeroepen, voor:

  - 4 schoorsteenbranden
- 5 gewone branden
- 3 ongevallen

Uitgaven 1971:

-
-
-
-
 
lonen en wedden:
kledij
onkosten
onderhoud
of samen
116.912
81.500
12.000
5.000
215.412
 F

De tijd blijft echter niet stilstaan, en heden is het brandweerkorps gans anders samengesteld, of werden nieuwe benoemingen en bevorderingen verwezenlijkt.

Ook het materiaal gelijkt niet meer op dat van 1971.

Thierry Catteeuw    

Separator

Naar de top van deze blz.

Inhoudstafels
1968 - 1969 - 1970 - 1971 - 1972 - 1973 - 1974 - 1975 - 1976 - 1977
1978 - 1979 - 1980 - 1981 - 1982 - 1983 - 1984 - 1985 - 1986

Welkomblz van tijdschrift "Ons Meetjesland"
Doorzoek «Ons Meetjesland»!

MijnPlatteland homepage
MijnPlatteLand.com

Meest recente bijwerking :  27-10-2022
Copyright Notice (c) 2023